De
onderstaande tekst is bedoeld om algemene informatie te geven over het
houden van eenden. Individuele soorten kunnen andere eisen stellen!
(Kleur) varieteiten
Van veel eendensoorten is er naast de (oorspronkelijke) wildkleur ook
een gekweekte witte of lichtgekleurde variant. Alleen de
gedomesticeerde eenden komen in veel meer kleurvarieteiten voor: wit,
beige, grijs, met witte vlekken enz.
Voedsel
De
meeste eenden zijn omnivoren. Er is speciaal eendenvoer in de handel,
wat een goede basis is voor hun dieet. Zeeëenden en zaagbekken
leven grotendeels van dierlijk voedsel. Voor deze soorten is een
speciaal zeeëendenvoer in de handel. Ook voor jonge eendjes
bestaan er speciale samengestelde voeders: opfokvoer. Brood en graan is
minder geschikt omdat het een erg hoog zetmeelgehalte heeft. Van teveel
brood en graan worden eenden vet. Om plantaardig voedsel te kunnen
vermalen eten ze regelmatig kleine steentjes (grit). In hun maag
vermalen ze met behulp van deze steentjes hun voedsel. Ook in
gevangenschap slikken ganzen graag steentjes in. Wanneer ze langere
tijd geen steentjes ter beschikking hebben gehad willen ze nog wel eens
veel steentjes ineens opeten. Het is dus beter om de steentje in het
begin geleidelijk aan te geven, in kleine porties. Later kan er gewoon
steeds een bakje steentjes in een hoekje staan. Hieruit halen de eenden
de steentjes wanneer ze die nodig hebben.
Kippenvoer
bevat vaak anti-coccidiose middelen die giftig kunnen zijn voor
watervogels. Geef dus nooit kippenvoer aan watervogels!
Minimum afmeting vijver
Kleine eendensoorten
zoals mandarijneendjes, Carolinaeendjes en talingen kunnen al voldoende
hebben aan een vijvertje van 2 x 2 m met een diepte van 35 cm. Duikeenden, zaagbekken en zeeëenden
hebben een vijver van minimaal 3 x 3 meter met een diepte van minimaal
60 cm nodig. Dit geldt bijvoorbeeld voor kuifeenden en
stekelstaarteenden. De gedomesticeerde rassen kunnen met het
minste water toe. Voor deze rassen voldoet een vijvertje van 1,5 x 1,5
m al. De diepte is voor deze rassen minder van belang, zolang ze maar
goed kunnen badderen. Een diepte van 35 cm is een goed uitgangspunt.
Inrichting vijver
Het
is belangrijk dat de oevers van een watervogelvijver geleidelijk
oplopen zodat de vogels makkelijk het water uit kunnen komen. Sommige
liefhebbers maken rondom de vijver een rand met grind, die makkelijk
schoon te houden is. Andere liefhebbers maken een brede rand van beton.
Als de rand van de vijver aan de smalle kant is hebben eenden de
neiging om met een natte snavel in het zand te gaan wroeten. Het gevolg
is een modderrand rond de vijver en een hoop zand in de vijver.
Volière, leewieken of vrij laten vliegen?
Kleinere eendensoorten zoals mandarijneenden,
Carolinaeenden en talingen kunnen heel hoed in een voliere worden
gehouden. Mandarijneenden en Carolinaeenden broeden van nature in holle
bomen en in een voliere gebruiken ze graag een bovenin opgehangen
nestkast. Ook zitten ze graag op dikke takken hoog boven de grond. De
meeste andere soorten vliegen met zo'n grote snelheid dat ze niet op
tijd kunnen omkeren voor het gaas. Gevolg is dat ze in volle vaart
tegen het gaas aanvliegen en zichzelf beschadigen. Deze soorten kunnen
beter geleewiekt in een perk worden gehouden. Alleen de gedomesticeerde
eendenrassen zijn rustig genoeg om ook vrijvliegend te kunnen worden
gehouden. Andere eenden schrikken gemakkelijk ergens van en vliegen dan
zo ver dat ze de weg terug niet meer vinden. Voor de meeste soorten
eenden is geleewiekt houden in een perk de beste oplossing.
Minimum oppervlakte perk
Naast een vijver hebben watervogels ook een
landgedeelte nodig. De oppervlakte van dit landgedeelte verschilt weer
per soort. Duikeenden hebben voldoende aan een klein landgedeelte van
enkele vierkante meters omdat ze het grootste deel van hun tijd op het
water doorbrengen. Een paartje kleine eendjes kan al worden gehouden in
een perkje van 2 x 3 m. Grotere soorten hebben wat meer ruimte nodig: 4
x 4 meter per paartje is een goed uitgangspunt.
Inrichting perk
Eenden hebben meer behoefte aan beschutting als ganzen of zwanen. Een
begroeiing van lage struiken wordt erg op prijs gesteld. Hier kunnen ze
zich bij onrust terugtrekken en nestplaatsen vinden. Wanneer er
onderlinge agressie is kunnen ze elkaar tussen de struiken enigzinds
ontwijken. Sommige soorten broenden tussen of onder dichte struiken.
Deze soorten nemen vaak ook eendenkorven aan als nestplaats. Andere
eendensoorten broeden van nature in een holle boom. Deze soorten
broeden ook graag in een grote nestkast (model 'bosuil'). Voor
geleewiekte eendjes is het nodig een plankte/trapje tegen de nestkast
aan te zetten.
Omheining perk
Voor watervogels lijkt een gazen
omheining op gras-stengeltjes. Gras van die dikte kunnen ze makkelijk
wegdrukken om erdoorheen te lopen. Dat proberen ze ook met gaas.
Wanneer gaas te grofmazig is steken ze hun kop erdoorheen en proberen
dan die 'sprietjes' weg te duwen. Dit gaat ten koste van de veren op de
nek, die behoorlijk kunnen beschadigen. In het ergste geval komen de
vogels zelfs klem te zitten. Gaas moet dan ook altijd zo fijnmazig zijn
dat de watervogels hun kop er niet doorheen kunnen steken. Het is het
beste wanneer ook eventuele jongen dat niet kunnen. Verder moet het
gaas geen scherpe uitsteeksels hebben. In de praktijk voldoet
geplastificeerd volieregaas redelijk. Veel liefhebbers gebruiken liever
helemaal geen gaas. In plaats daarvan maken ze lage muurtjes waar de
watervogels niet door- of overheen kunnen kijken. Op deze manier hebben
ze niet de neiging 'door de omheining te willen gaan'. Bovendien kunnen
agressieve soorten vlak naast elkaar worden gehuisvest, zonder dat ze
elkaar door de omheining willen aanvallen.
De hoogte van de omheining kan vrij laag blijven. 75 cm is voor eenden ruim voldoende.
Behalve
om watervogels binnen te houden, dient een omheining ook om mogelijke
roofvijanden buiten te houden. Grotere ganzen en zwanen zijn weerbare
vogels die meestal weinig te vrezen hebben van andere dieren. Voor
kleinere eenden ligt dit anders. In de natuur zijn het schuwe vogels
die steeds bereid zijn weg te vliegen. In gevangenschap is het ze
onmogelijk gemaakt om weg te vliegen, waardoor ze weerloos zijn
geworden. Het is de taak van de eigenaar om ze te beschermen tegen
gevaren zoals bijvoorbeeld honden. Kleine eendensoorten lopen het
meeste gevaar: zowel huiskatten als roofvogels loeren op ze. Het is
niet ongewoon wanneer een havik zich in en standstuintje waagd om daar
een eendje te vangen. Liefhebbers van kleinere eenden houden hun vogels
dan ook vaak in volieres. Dit geeft ook de mogelijkheid om de vleugels
van sommige soorten eendjes intact te laten, zodat ze nog wel kunnen
vliegen.
Minimumaantal
De meeste eendensoorten kunnen zowel paarsgewijs als in een groepje van
3 of meer paartjes worden gehouden. Vaak mannelijke eenden agressiever
tegen mannelijke soortgenoten als tegen mannetjes van andere
eenden-soorten. Gemengde groepjes van meerdere eendensoorten kunnen
beter harmoniëren als groepjes van één soort.
Overwinteren
's
Winters kunnen eenden lang voorkomen dat het water dichtvriest doordat
ze het water door hun zwem-bewegingen in beweging houden. Dit kunnen ze
het beste wanneer er een heel groepje bij elkaar is. Hierbij kunnen de
vogels erg geholpen worden door met een pomp het water extra in
beweging te houden of door het licht te verwarmen. Wanneer de vijver
toch dichtvriest, is het belangrijk om dagelijks 'badwater' aan te
bieden zodat de vogels hun verenpak kunnen onderhouden.
Sommige
soorten eenden zijn gevoelig voor lage temperaturen en bevriezing. In
koude winters staan veel watervogel-liefhebbers voor een dilemma: de
vorstgevoelige soorten in een schuurtje verwarmd onderbrengen, of
buiten laten. Binnen onderbrengen is eigenlijk alleen een optie als de
vogels daar steeds beschikking hebben over schoon water om te badderen.
Buiten houden kan bevriezing van de poten en de dood van de vogels tot
gevolg hebben. Neem alleen vorstgevoelige soorten wanneer ze ook in een
binnenruimte voldoende water kunnen krijgen.